Deze compositie is geschreven in opdracht van de jubileumcommissie 100 jaar Fanfarecorps Excelsior, IJsselstein, ter ere van het 100-jarig bestaan. Het is tot stand gekomen met financiële ondersteuning van UNISONO-Utrecht en de gemeente IJsselstein.
Fulco is de trouwe knecht van Gijsbrecht van IJsselstein. Eigenlijk is hij geen minstreel, maar het verhaal zal vertellen waarom hij zo wordt genoemd.
Het verhaal speelt in 1297. Na een fanfare-achtige opening horen we het dagelijkse leven in IJsselstein uit die tijd. Gijsbrecht is op weg naar zijn bruid Bertha van Arkel om met haar te trouwen op het prachtige kasteel Heukelom.
Op het feest en het toernooi dat ter ere van de bruid en de bruidegom wordt gehouden, blijkt dat de wrede en op macht beluste Hendrik van Vianen niet tegen zijn verlies kan. Op het toernooi proberen ridders te paard elkaar, tegemoet rijdend, met een lange lans van het paard te stoten. Twee keer weet Hendrik van Vianen zijn tegenstander van het paard te stoten. Maar dan wordt Hendrik voor het eerst in zijn leven uit het zadel geworpen en verslagen door de Onbekende Ridder met de Gele Handschoen.
De onbekende ridder blijkt niemand minder dan Gijsbrecht van IJsselstein te zijn. Hendrik is woedend en zint op wraak. Hij verzint een list waarna hij Gijsbrecht en zijn knecht Fulco gevangen neemt. Fulco weet echter te ontsnappen. Gijsbrecht wordt in het kasteel van de Heer Aloud in Dordrecht in de kerkers gegooid. Hendrik valt slot IJsselstein aan dat heldhaftig door Gijsbrecht's vrouw en haar ridders wordt verdedigd.
Intussen probeert Fulco zijn heer te bevrijden. Hij verkleedt zich als minstreel en samen met enkele muzikanten gaat hij naar het kasteel waar Gijsbrecht gevangen wordt gehouden. Ze komen binnen bij het feest dat net aan de gang is. Ze spelen net zo lang door tot iedereen dronken in slaap is gevallen. Daarna bevrijdt Fulco zijn heer en samen spoeden ze zich terug naar IJsselstein.
Het kasteel wordt nog steeds door Hendrik van Vianen belegerd maar na een moedige strijd moet Gijsbrecht's vrouw zich noodgedwongen overgeven. Ze heeft met 15 overgebleven ridders moedig stand gehouden. Hendrik kan dit nauwelijks geloven. Ze worden naar het kasteel van Heer Aloud in Dordrecht gebracht alwaar ze worden veroordeeld tot de galg.
De trage gang naar de galg wordt duidelijk hoorbaar uitgebeeld. Het volk dat langs de kant staat is verbolgen over het feit dat een vrouw van adelijken bloede de strop krijgt. Het volk mort maar durft geen vuist te maken tegen Aloud. Onder het volk bevinden zich ook Gijsbrecht en zijn knecht Fulco. Met behulp van het morrende volk weten ze de wrede Aloud te overrompelen en Gijsbrecht's vrouw en haar ridders te bevrijden.
Wat rest is een "happy end" waarbij Fulco, als dank voor zijn trouwe diensten, tot ridder wordt geslagen.


